| MET NIETS KOM JE TER
WERELD
2 Corinthiërs 8 : 9 / 1 Timotheus
6 : 7-12
Ik wil u iets uit de doeken
doen. Toen ik geboren werd had ik niets bij me en ik had ook
niets aan. Geheel ongekleed ben ik ter wereld gekomen. Dus
zakken waar iets in zat, een portemonnee met geld of zo -
niets daarvan. U kijkt er niet van op. Nee, want het is nooit
anders geweest: met niets kom je ter wereld en met niets ga je
weer heen, en als er al zakken in een doodshemd zitten, de
inhoud is onbereikbaar geworden.
Eigenlijk zijn we als pasgeborenen gewoon havelozen,
armlastigen. En als we na verloop van tijd bezit verworven
hebben, de een meer, de ander minder, dan hebben we dat meer
aan de Gever van alle goeds dan aan onszelf te danken.
We zijn geboren bezitlozen en wat we verwerven en hebben,
hebben we aan God te danken en aan Christus, die arm werd en
ons daardoor rijk maakte. geestelijk en materieel.
Paulus schrijft aan Timótheüs: ,,Want wij hebben niets op
de wereld medegebracht; wij kunnen er ook niets uit medenemen.
Als wij echter onderhoud en onderdak hebben, dan moet ons dat
genoeg zijn. Maar wie rijk willen zijn, vallen in verzoeking,
in een strik en in vele dwaze en schadelijke begeerten, die de
mensen doen wegzinken in verderf en ondergang." (1 Tim.
6:
7 - 9). We zeggen er van harte amen op. Want wat is dat waar,
wat hier staat. Tevreden zijn met wat je hebt, dankbaar zijn,
dan maakt gelukkig. Maar mateloos jagen naar geld en bezit
maakt ongelukkig. We zijn het er helemaal mee eens. Maar dat
neemt niet weg dat we wat Paulus zegt steeds tegen anderen
moeten zeggen en niet minder tegen onszelf. Met veel nadruk.
Want de wereld, waar we niet van zijn, maar waar we wel, vaak
comfortabel, in leven, gaat aan hebzucht en schraapzucht en
materialisme ten onder. Zinkt weg in verderf en ondergang.
Zijn we niet ontzaglijk geestelijk en moreel achteruitgegaan,
is de samenleving niet verloederd en verarmd, in de laatste
tientallen jaren? En heeft dat niet alles te maken met de
eredienst aan de mammom? En tevredenheid. Komt u wel eens een
tevreden mens tegen. Vast wel, maar 't is in het algemeen wel
een enkeling.
Vooral in het rijke westen lopen er velen rond met het brutale
gezicht van degene die denkt dat de halve wereld van hem of
haar is. Rentmeester zijn die beheert wat bezit van God
alleen is, nooit van gehoord. We realiseren ons vaak veel te
weinig dat we in een wereld van God leven die als God er één
ogenblik z'n handen van aftrekt in het niet wegzakt. Wat
verbeelden we ons toch als mensen? Eindeloos produceren, tot
de onnozelste dingen toe, en die aan elkaar opdringen. Klauwen
en graaien. Op = op en weg = weg en vandaag kopen en volgend
jaar betalen. Hoe was de verhouding ook al weer tussen ons
rijke westerlingen en al die in diepe armoe leven?
Hoe zou God nu tegen ons en onze samenleving aankijken?
Ik vergeet nooit een voorbeeld dat
prof. Veenhof gebruikte in
een preek over Hosea 2. Hij zegt:
Stel, u zit met uw vrouw rustig in de kamer. Ineens forceren
een paar kerels de deur, dringen binnen, openen de koelkast,
beginnen te bakken en te braden en eten en drinken van jouw
spullen tot ze oververzadigd zijn. Ze gedragen zich of jouw
huis en jouw keuken en jouw koelkast van hen zijn. In zijn
bewogenheid schreeuwde hij het bijna uit; DAT MOET GOD VAN
MILJOENEN ELKE DAG VERDUREN!
Miljoenen die zich vergrijpen aan wat van God is en van de
ander.
Zouden we ons niet gelukkiger en rustiger voelen, zouden we
niet tevredener zijn, zou de samenleving niet totaal
veranderen als we werkelijk leefden uit de werkelijkheid dat
alles van God is, en dat we alles uit genade in bruikleen
krijgen. Geen beter leven dan een tevreden en dankbaar leven.
,,Met niets kwam je ter wereld,
met niets ga je weer heen.
En wat je hier bijeenbrengt,
geeft God je gul te leen.
Daarom geen eer voor ons.
Wij leven van genade.
Van zijn genadegaven
is heel ons leven vol.
Als wij te eten hebben,
een dak boven ons hoofd.
Dan moet ons dat genoeg zijn,
meer is ons niet beloofd.
Maar wie niet dankbaar is,
steeds meer bezit wil winnen,
raakt arm en leeg van binnen,
komt om in zijn gemis.
Dit zijn Gods eigen woorden:
ontvlucht wat u misleidt,
en jaag naar recht en vroomheid,
geloof, zachtzinnigheid.
En strijd de goede strijd,
grijp naar het eeuwig leven,
dat God zo graag wil geven
aan elk die het verbeidt.
|
|