| EN TOEN STOND GOD OP
Dit is dus de Karmel. Klim je
omhoog, over dat slingerpaadje daar, dan krijg je een
schitterend zicht op de zee. Daar rechts stroomt de Kison en
nóg een eindje verderop ligt de vlakte van Jizreël.
Hier is het allemaal gebeurd. Hoe lang geleden? Een jaar of
dertig misschien. Wat doet het er toe? Bijna dagelijks beleef
ik die verbijsterende gebeurtenis opnieuw. In fragmenten en in
z'n samenhang.
Bijvoorbeeld als ik bloed zie. Of de lucht van brandend hout
of wierook in m' n neus krijg of gekrijs hoor of regen hoor
ruisen.
Pas zag ik een van onze profeten stuiptrekkend over de grond
rollen. De nacht erna was er een herbeleven tot in alle
details.
Dat struikgewas dáár was er
toen ook al. Daar zat het wijf Izebel, onder een soort
baldakijn, geflankeerd door een paar wanstaltig toegetakelde
priesteressen.
Ze maakte een onbewogen indruk. Ja ja - ik kende haar en
gruwde.
Wanneer ze haar mond, vochtig en vuurrood als een net
aangebrachte wond, zo samentrok dan laaide het in haar van
haat en wraakzucht.
Op een paar meter afstand van
haar - de koning. Moe en afgeleefd. Voor zijn dienaren en hun
strijkages had hij weinig oog. Het volk leek op dit moment
helemaal niet voor hem te bestaan.
Die twee - hij en Izebel… altijd bezig kwaad uit te denken en
te doen.
De koning keek onafgebroken naar het altaar en de dansende
dwazen, die indruk maakte hij althans. In werkelijkheid gingen
zijn blikken en die van dat mens steeds naar de profeet. Die
van Achab met een mengeling van verachting en een soort
angstig ontzag, die van de koningin zó vol haat, dat ik me
soms afwendde.
Als de ogen van Jahweh niet op hem gerust hadden…
Vroeg op de dag waren de priesters en profeten in groepen
aangekomen. Nerveus pratend en gebarend hadden ze voortdurend
heen en weer gelopen tot het vorstelijk paar verschenen was,
en daarna, de Tisbiet. Aan het slaafs gekronkel en de
kinderachtige aanstellerij had zeker Izebel geen aandacht
geschonken.
Ik, de knecht van Elia, stond wat opzij. Wachtend op wat
gebeuren zou.
Hoe vertrouwd was de profeet me. Ook nu werkte het vuur dat in
hem laaide aanstekelijk. Imponerend in zijn onverschrokkenheid
was híj het die het toneel beheerste.
Wat een heftige emoties leefden in hem. Anderen zouden er aan
ten onder gaan. Maar onlangs had hij me verzekerd dat Jahweh
hem van ogenblik tot ogenblik leidde en bestuurde.
Met moeite wendde ik m' n ogen van de man Gods af en overzag
het volk. Waren dit de kinderen van Jahweh, de levende God?
Ik dacht terug aan de Tisbiet toen hij pas nog met luide stem
en grote gebaren gesproken had over zijn Zender. In een
gezicht had hij de Koning gezien in zijn heerlijkheid, wonend
tussen zijn volk als een gelukkige vader in zijn gezin. En dat
volk hoorde God toe met een ongedeeld hart.
Hij had melding gemaakt van een volmaakte aarde, vol van
kennis des Heren. Verval, zonde, dood, ondergang waren
verwaaide woorden.
Maar ach, wat was de werkelijkheid nog anders… Jahweh, de
levende God, jawel… maar een volk, voor Hèm levend?
Havelozen en hongerlijders, geïmponeerd door de Baäls en
Astartes. Een volk, op sterven na dood. Het ademde als iemand
in zijn laatste ogenblikken.
Vlak bij me hurkte een vrouw met half ontbloot bovenlijf. Haar
kind met de uitgebluste wanhoopsogen deed vergeefse moeite.
Overal zaten en stonden kinderen. Sommige met akelig opgezette
buiken en te dikke benen.
In die ongenblikken voelde ik alleen maar deernis. Het volk
wankelde op de smalle rand van leven en dood. Aan de eind van
haar krachten was het: uitgeput, verward en innerlijk
verscheurd.
Drie jaar geestelijk verval, drie jaar droogte, drie jaar
honger.. Het martelend felle zonlicht en de zinderende hitte
bracht de mensen tot wanhoop.
Arm, dom volk dat zich afsloot voor Jahwehs liefde. Dwaas
volk, dat geen keuze maakte of de verkeerde. Overigens, op een
uitzondering na hadden ze niet letterlijk op de knieën
gelegen voor zo' n dom houten of stenen Baäl- of
Astartebeeldje. Zo diep gezonken waren ze nu ook weer niet.
,,Onze God is Jahweh" - dat wilden ze best uitroepen.
Maar het klonk zo mager. Het hart riep niet mee.
Al lang leefde het volk alleen voor het hier en nu. Van de
nabijheid en de zegen van de Eeuwige hadden ze al tijden geen
orgaan.. 't Ging toch wel goed.
Voor de grote droogte begon, hadden ze koortsachtig handel
gedreven, in haastige hartstocht kinderen verwekt, naar alles
gegraaid en gegrabbeld. Ondertussen hadden ze Jahweh geëerd
met de lippen. De sabbat… óf ze die onderhielden. Maar in
het gebedshuis waren de gedachten na enkele ogenblikken al
weer ergens anders.
Daar stond dan dat volk, in gespannen verwachting.
Nieuwsgierig én bevreesd. ,,Here, open hun ogen, opdat ze
zien. Laat ze opstaan", bad ik.
Zelf was ik vol vertrouwen op de Machtige, altijd. Hij was tot
grote daden in staat. Tegelijk was ik sceptisch. Kinderen kun
je nog wat bijbrengen, maar volwassenen…
Toen stond plotseling, of hij van de hemel afgedaald was, Elia
in het midden. Er viel een stilte, weldadig én bedreigend.
Hij sprak nooit meer dan nodig was. Zeker nu niet. Maar de
weinige woorden bonkten op de menigte neer. ,,Ik vraag u: hoe
lang duurt het voor u kiest? Hoe lang hinkt nu nog op twee
gedachten?"
Hij wachtte, zijn ogen rustend op dan deze, dan op een ander.
,,Hoe lang volhardt u in deze laffe houding, hoe lang onthoudt
u Jahweh uw hart en uw leven?
Geestelijk bent u al dood, moet het lichaam ook nog volgen?
Hoe lang? Hoe lang moet de droogte voortduren, de honger
kwellen? Moet Israël ondergaan?"
Toen snauwde hij: ,,Nou dan, als Jahweh jullie God is volg
Hém na en anders…"
Het wijf Izebel sidderde. Haar handen, dierenklauwen met die
lange vuurrode nagels, krampten om de leuning van haar zetel.
Ze kon het niet verkroppen, dat die Elia hier stond, ontkomen
aan de profetenmoord. Sommigen keken schuw en onderdanig naar
de Tisbiet, anderen tartend. Van de meesten was de blik leeg
en uitgeblust.
,,Van Jahweh ben ik de enige, van Baäl zijn er honderden.
Breng twee stieren." Bijtend klonk de instructie. ,,Die
met vuur antwoordt is God."
Ontzagwekkend stond hij daar in zijn grootheid. De kracht van
Jahweh was op hem. Wie geloofde zag het.
Abrupt wendde hij zich naar de menigte profeten. Marionetten,
in beweging gebracht door dat duivelse schepsel.
,,Kies voor u de ene stier uit en bereid hem eerst, u bent met
velen. Roep dan de naam van uw god aan. Roep hem aan!"
,,U bent met zovelen." Had hij gelijk. Het leek
ongerijmd. Maar hij, de gezondene van de Eeuwige, leek een
menigte en de schare profeten een schamele enkele.
De marionetten bewogen zich als spookfiguren. Op een wenk
waren ze onmiddellijk in de weer voor het offerritueel. Bloed
gutste uit de hals van het dier. Vaardig en snel werden de
stukken kadaver op het rooster van het altaar geschikt. De
lucht beefde en trilde.
Niemand roerde zich. De stilte was volkomen.
Drong eindelijk door dat het zou kunnen gebeuren - dat Jahweh,
geringschat en doodge- zwegen, nu zou opstaan en verschijnen, om
een groot teken te geven?
Of werd er heimelijk gehoopt op Baäl? Diens dienaren
straalden nog alle zelfvertrouwen uit.
Het mens onder het baldakijn grijnsde verkrampt. Ze zei niets
maar haar duivelse uitstraling bereikte ongetwijfeld haar
handlangers.
Onafgebroken, zeurderig, dreigend-monotoon klonk het
spreekkoor: ,,Baäl, antwoord ons! Baäl, antwoord ons!"
Smeekbeden van een kruiperige horde tot een heer die nog nooit
geantwoord had. Een dode god zonder handen, zonder hart,
zonder gevoel.
Na verloop van tijd veranderde het optreden, het werd
onstuimiger, ordelozer. Elk van de profeten werd een
uitzinnige smekeling die zich dan voorover op de grond liet
vallen, de handen soebattend omhoog, en zich dan weer in een
spastische hinkdans voortbewoog.
Het gebeuren werd walgelijk, niet om aan te zien. Dansende,
springende waanzinnigen met een schrikwekkend uiterlijk.
Levenden? - levenloze marionetten, dode horigen van een dode
heer.
Van tijd tot tijd keerde ik m' n gezicht af. Zo'n diepte van
ontluistering! Hun ziel hadden ze uitgeleverd aan het duister
en nu waren ze die kwijt.
Van de vele omringenden waren er wat weggeslopen, hun kinderen
haastig meevoerend.
Eén keer was Izebel naar voren gekomen en had zich tot de
koning gewend. Ze overlegde met hem, wijzend naar Elia. Achab
had schuw en angstig naar haar opgezien en zijn vrees voor
haar overwinnend somber nee geschud.
Elia de Tisbiet - vanaf zijn verschijnen had hij het toneel
beheerst en dat deed hij nog steeds. Het onwankelbaar-zekere
in zijn houding leek nog toegenomen. Hij had zich een paar
meter achter de gillende en krijsende profetenhorde opgesteld.
Iets van de lach van Hem ,Die in de hemel zetelt, lag op zijn
gezicht.
,,Jullie moeten véél harder roepen!", schreeuwde hij
boven het gekrijs uit. ,,Wat denken jullie wel, zo'n grote god
geeft niet dírect antwoord. Misschien is hij wel met z' n
gedachten ergens anders, misschien is hij op reis of doet z' n
behoefte." Bij het laatste bulderde de profeet van het
lachen.
Werkte zijn hoon wat uit bij de menigte? Het leek er een
beetje op. Hier en daar werd een gemurmel hoorbaar, dat de
Baälprofeten tot het uiterste scheen te tergen.
Dwaas schreeuwend renden zij rond. Sommigen hadden uit de
plooien van hun kleed, dat ze afgelegd en op de grond gesmeten
hadden, een speer of mes tevoorschijn gehaald waarmee ze zich
tot bloedens toe verwondden.
Mensen liepen kokhalzend weg. Anderen bleven gebiologeerd
staren naar de ontmenselijkten, overdekt met zweet, bloed en
stof, onafgebroken jankend.
Als je toch zo je god moet dienen… als je hem zó voor je
moet winnen, dacht ik bitter. Kinderen der duisternis waren de
Baälskinderen, in de greep van de volkomen waanzin.
Gegeten hadden de priesters al die tijd niet. Wel zag ik dat
ze af en toe een teug namen uit kannen die terzijde stonden.
Een stimulerend middel uit de gifkeuken van het serpent
Izebel?
Steeds vaker gebeurde het dat één van de dansers in elkaar
zakte en met schuim op de mond bleef liggen in een verkrampte
houding.
Na lange uren, kort voor de tijd van het avondoffer, kon
niemand van hen nog één stap verzetten, nog één schreeuw
uitbrengen.
En toen kwam het moment dat de profeet zijn handen uitbreidde.
Hij wenkte de menigte dichterbij te komen.
In volstrekte rust herbouwde hij het altaar van Jahweh en
bereidde het offer. Hij wachtte een ogenblik. Toen, na het
angstaanjagende schouwspel, na de weerzinwekkende rituelen van
benevelde en gewonde priesters, werd hij geroepen. Door de
Eeuwige Zelf. De broeierig- zwoele sfeer leek te verdwijnen
Elia trad naar voren en breidde zijn armen wijd naar de hemel.
Hij leek een kind, vol verwachting, en met diepe eerbied.
,,HERE, God van Abraham, Isaäk en Israël, heden moge bekend
worden, dat Gij God zijt in Israël, en dat ik uw knecht ben
en op uw bevel al deze dingen doe. Antwoord mij, HERE,
antwoord mij, opdat dit volk wete, dat Gij, Here, God zijt, en
dat Gij hun hart weer terugneigt." Nauwelijks was het
laatste woord van zijn lippen gekomen, of laaiend vuur, groot
en verblindend, flitste van de hemel en verslond in één keer
hout, brandoffer en stenen.
De omkeer was schokkend. Bijna tastbaar was Jahweh aanwezig,
bijna zichtbaar sloegen demonen op de vlucht.
Het volk leek een metamorfose te hebben ondergaan. In een
niet-eindigende opwinding, met een nieuw elan, riep het: ,,De
HERE, die is God! De HERE, die is God!"
De afloop is bekend. Aan het eind van de dag liet de profeet
de Baälsknechten afslachten, bij de Kison.
Wezenloos en apathisch lieten ze zich meevoeren. Voor ze
stierven, waren ze al dood.
Maar de ware God was opgestaan en het volk had iets van zijn
grote heerlijkheid gezien.
Dit verhaal is rond 1990
gepubliceerd in ,,Morgenlicht" uitgever Groen. Het is echter
gecomprimeerd en in veel opzichten herschreven.
|
|